De uitholling van Europese duurzaamheidswetgeving: wat betekent dit voor beleggers?

De Europese Unie stond jarenlang bekend als de strengste en meest invloedrijke normbepaler op het gebied van onder meer klimaat, privacy en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Maar door een politieke verschuiving in Brussel waait er een sterke wind van deregulering door Europese instituten. Met de introductie van 12 ‘Omnibusvoorstellen’ wordt bestaande en nieuwe duurzaamheidswetgeving drastisch versoepeld. Voor institutionele beleggers betekent dit de volgende paradox: hoewel hun rapportagelast afneemt, droogt de instroom van ESG-data vanuit het bedrijfsleven op.

De teloorgang van het Brussel-effect

Het fundament onder het Europese klimaat- en milieubeleid vertoont diepe scheuren. Jarenlang gold de EU als wereldwijde trendsetter via het zogeheten ‘Brussel-effect’. Grote marktdeelnemers buiten de EU móesten wel aan de strenge Brusselse standaarden voldoen om toegang te behouden tot de interne markt (hard power), terwijl andere overheden die wetgeving vaak vrijwillig kopieerden (soft power).

Vandaag de dag is de conclusie pijnlijk: het Brussel-effect is op het vlak van duurzaamheid grotendeels dood. Onder druk van een rechtsere wind in het Europees Parlement heeft de Europese Commissie begin 2025 de aanval geopend op bureaucreatie via 12 Omnibuspakketten. Het doel is om 6 miljard euro’s aan administratieve lasten (‘red tape’) te besparen, maar de prijs die hiervoor wordt betaald is een vergaande uitholling van het EU Sustainable Finance Framework.

De versoepelingen zijn zichtbaar over de gehele linie van het beleid waaronder:

  • CSRD & CSDDD: de reikwijdte en het aantal verplichte datapunten zijn drastisch ingeperkt.
  • Emissions Trading System (ETS): het emissiehandelsstelsel is versoepeld door de reductiefactor te verlagen en extra emissierechten toe te staan.
  • Ontbossingsverordening (EUDR): de invoering is uitgesteld en er geldt een lichter regime voor downstream-marktdeelnemers.
  • AI-wetgeving: verplichtingen rondom kunstmatige intelligentie zijn vereenvoudigd.

SFDR 2.0: een radicale kaalslag voor beleggings- en pensioenfondsen

Een van de meest directe verschuivingen voor institutionele beleggers vindt plaats binnen de herziene Sustainable Finance Disclosure Regulation (SFDR 2.0). Het standpunt dat de Europese Raad medio 2026 heeft ingenomen over ‘SFDR 2.0’ luidt een streng, maar uitgekleed regime in.

De bekende, ietwat vage Artikel 8 (lichtgroen) en Artikel 9 (donkergroen) labels verdwijnen. In plaats daarvan komen er drie strakke productcategorieën:

  1. Transitie: producten die bedrijven of projecten ondersteunen met een geloofwaardig transitiepad (minimaal 70% van de portefeuille). Binnen deze categorie is beleggen in fossiele brandstoffen expliciet toegestaan, mits meer dan 20% van de CapEx in lijn is met de EU-Taxonomie.
  2. ESG-basis (ESG-integratie): producten die ESG-factoren integreren in het risicomanagement, zonder specifieke transitie- of duurzaamheidsdoelen. Minimaal 70% van de beleggingen moet in lijn zijn met de integratiestrategie.
  3. Duurzaam: voor producten die uitsluitend beleggen in reeds duurzame activa (minimaal 70% met een meetbare duurzaamheidsdoelstelling).

Daarnaast wordt een aparte categorie voor Impactbeleggen erkend, mits er sprake is van een vooraf gedefinieerde, positieve en meetbare impact. Strategieën die nergens onder vallen, worden geclassificeerd als Artikel 6a (Niet-ESG producten), waarbinnen duurzaamheidsinformatie marginaal moet zijn (<10% van de strategiebeschrijving).

Hoewel deze indeling overzichtelijk oogt, is er veel kritiek vanuit de sector (zoals Eurosif, Frank Bold en Triodos). De Raad schrapt namelijk de verplichte rapportages op entiteitsniveau (asset manager-niveau). Bovendien wordt het aantal verplichte Principal Adverse Impact (PAI)-indicatoren – de graadmeters voor negatieve impact op milieu en maatschappij – teruggebracht van 18 naar slechts 3 verplichte indicatoren.

Bovendien zijn er ontsnappingsclausules ingebouwd. Als een fonds een klimaatbenchmark volgt of als meer dan 15% van de CapEx ‘Taxonomy-aligned’ is, vervalt de bewijslast dat de overige 70% van de portefeuille aan de transitiecriteria voldoet. Ook mogen EU-staatsobligaties tot 15% worden meegeteld in de Transitie-categorie en ontbreekt een specifieke categorie voor sociale doelstellingen.

Verwachte impact SFDR 2.0 op classificatie beleggings- en pensioenfondsen

Op dit moment is 48% van EU-beleggingsfondsen Artikel 8 en 4% Artikel 9. Volgens Morningstar zal het merendeel van de huidige EU-beleggingsfondsen na herclassificatie hun duurzame status verliezen. Het aandeel Niet-ESG fondsen zonder duurzame classificatie stijgt naar verwachting van nu 41% naar 52% tot 70%. De ‘Transitie’-categorie dreigt met slechts 3% van de fondsen een marginale niche te worden terwijl de ‘Duurzaam’-categorie blijft steken op 7%.

Voor Nederlandse pensioenfondsen betekent SFDR 2.0 dat de overgrote meerderheid (nu veelal Artikel 8) zal degraderen naar de sobere categorie ‘ESG-basis’ of zelfs ‘Niet-ESG’.

CSRD, CSDDD en Taxonomie: databronnen drogen op

Waar beleggers bij de SFDR te maken krijgen met lossere regels, worden ze bij de wetgeving voor de ondernemingen waarin zij beleggen geconfronteerd met een acuut dataprobleem.

CSRD (Corporate Sustainability Reporting Directive)

Door Omnibus I is de CSRD met twee jaar uitgesteld voor de middelgrote en kleinere beursgenoteerde ondernemingen (de zogeheten golf 2 en 3). Veel ingrijpender is echter de inperking van de scope: circa 43.000 van de oorspronkelijk 50.000 geplande ondernemingen vallen door nieuwe grensbedragen (maximaal 1.000 werknemers en een omzetgrens van 450 miljoen euro) volledig buiten de CSRD-verplichtingen. Daarnaast is het aantal verplichte datapunten met maar liefst 70% gereduceerd. Hoewel het principe van ‘dubbele materialiteit’ overeind blijft, is de vijver van openbare, betrouwbare bedrijfsinformatie hiermee drastisch verkleind. Ook omdat bedrijven die niet over voldoende “vaardigheden, capaciteiten of middelen” beschikken om data van bedrijven boven water te krijgen, voorlopig hiervan mogen afzien.

CSDDD (Corporate Sustainability Due Diligence Directive)

De zogenaamde ‘Antiwegkijkwet’ is eveneens gekrompen. Bedrijven hoeven pas in fasen (van 2027 tot 2029) aan de wet te voldoen en de omzet- en werknemersgrenzen zijn fors verhoogd. Pensioenfondsen en beleggingsinstellingen zijn vooralsnog buiten de scope van de CSDDD gelaten. Daarnaast is due diligence naar de keten beperkt tot uitsluitend directe zakenpartners. Onderzoek naar indirecte toeleveranciers is van tafel en bedrijven hoeven een relatie niet langer te beëindigen als misstanden aanhouden. Zelfs de verplichting om een klimaattransitieplan daadwerkelijk uit te voeren is geschrapt; het plan hoeft alleen nog maar ‘acties ter implementatie’ te bevatten.

EU-Taxonomie

Ook hier is de administratieve druk verlicht. De datapunten voor bedrijven zijn met 54% verminderd en voor financiële instellingen zelfs met 89%. De technische screeningscriteria (RTS) en ‘Do No Significant Harm’ (DNSH)-criteria voor chemicaliën zijn sterk vereenvoudigd. Banken worden ontzien doordat de Green Asset Ratio (GAR) is versimpeld en blootstellingen aan niet-CSRD-plichtige bedrijven uit de berekening worden weggelaten.

De paradox voor de belegger: minder rapporteren maar minder data beschikbaar

De optelsom van deze herzieningen leidt tot een duidelijke conclusie: de formele rapportagelast voor zowel ondernemingen als beleggers neemt zienderogen af. Men hoeft over minder PAI-indicatoren te rapporteren, minder complexe ketenonderzoeken te doen en minder strikte templates in te vullen.

De keerzijde is echter dat beleggers blind worden gehouden. Om te voldoen aan hun eigen resterende SFDR-verplichtingen of om simpelweg klimaatrisico’s in de portefeuille te managen, hebben institutionele beleggers data nodig. Nu deze niet meer verplicht via de CSRD en CSDDD door bedrijven wordt gepubliceerd, ontstaat er een groot datagat.

Hoe om te gaan met onvolledige databronnen?

Bedrijven die buiten de CSRD-scope vallen, worden beschermd door de value chain cap. Zij kunnen via een ‘delegated act’ weliswaar vrijwillig rapporteren via lichtere standaarden (de ‘voluntary sustainability reporting standard’ voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen), maar beleggers mogen contractueel niet méér informatie van hen eisen dan in die standaard is vastgelegd.

Beleggers worden hierdoor nagenoeg volledig afhankelijk van commerciële ESG-dataproviders. Dit brengt grote operationele uitdagingen met zich mee:

  • Schattingen versus brondata: Data-vendors vullen gaten onvermijdelijk op met computermodellen en schattingen in plaats van harde, geverifieerde brondata.
  • Verborgen kosten: Accountants en interne compliance-teams moeten deze ‘black box’-data handmatig controleren op transparantie en methodiek, wat zorgt voor onverwachte kosten.
  • Complexe licentiestructuren: Er moet scherp worden gekeken naar data-licenties (Per Security of Portfolio data; Enterprise Data of Client Reporting licentie) om juridische claims bij externe rapportages te voorkomen.
  • Selectiecriteria: Bij het kiezen van een provider moeten kosten worden afgewogen tegen de dekkingsgraad, de updatefrequentie, transparantie van schattingsmethodieken en de aanwezigheid van een heldere audit trail (zoals directe paginaverwijzingen naar jaarverslagen).

Wat kunnen beleggers nu doen?

Achteroverleunen is ondanks de deregulering geen optie. De transitie naar SFDR 2.0 kent een strakke tijdlijn. Nadat het Europees Parlement in september 2026 haar definitieve standpunt inneemt, starten in het vierde kwartaal van 2026 de beslissende trialoogonderhandelingen tussen de Raad, het Parlement en de Commissie. Na de uitwerking van de technische criteria in 2027-2028 zal SFDR 2.0 in 2029 onherroepelijk van kracht worden.

Financiële marktpartijen kunnen nu al de volgende strategische stappen zetten:

  1. Huidige compliance borgen: Blijf strikt voldoen aan het huidige SFDR-regime totdat de nieuwe verordening officieel operationeel is.
  2. Herclassificatie voorbereiden: Breng nu al in kaart hoe huidige Artikel 8- en 9-producten zich verhouden tot de nieuwe definities (Transitie, ESG-basis, Duurzaam) en identificeer waar de grootste data gaps vallen.
  3. Uitsluitingen en risico’s managen: Voorkom ongewenste blootstellingen aan bedrijven en sectoren die onder het nieuwe regime worden uitgesloten.
  4. Volg de trialoog: Volg de Brusselse onderhandelingen. De exacte politieke afhandeling van de status van fossiele brandstoffen in transitiefondsen en de mogelijke opt-out voor Alternative Investment Funds (AIF’s) gericht op professionele beleggers zullen tot veel discussie leiden.

Dit artikel is gebaseerd op mijn presentatie tijdens de “Bestuurders Conferentie 2026” van IPFOS in Leiden op 3 september 2026.

Bronnen

Meer interessante artikelen